Naar overzicht

Het MEMO-verhaal (4)

Er zijn ondertussen waarschijnlijk al bibliotheken te vullen met boeken over stress. Dat het een hot topic is, is dus zacht uitgedrukt.

De cijfers over burn-out en andere stressgerelateerde aandoeningen spreken voor zich. Stress is in onze samenleving geen randfenomeen meer, maar iets wat steeds centraler komt te staan in hoe mensen functioneren, vastlopen of zich proberen staande te houden.

Toch blijft het mij opvallen hoe we er vaak naar kijken.

Patrick van MEMO Koncept

Stress als individueel probleem

In veel benaderingen ligt de nadruk op het individu. Stress wordt dan vooral gezien als een kwestie van zelfmanagement, van beter omgaan met druk, van leren aanpassen aan de omgeving. Dat past binnen een breder mensbeeld waarin de mens als rationeel en maakbaar wordt voorgesteld. Als iemand die, mits de juiste technieken, zijn eigen systeem onder controle kan houden.

In dat beeld wordt het stresssysteem vaak herleid tot iets primitiefs. Een soort evolutionair overblijfsel uit een tijd waarin het ons hielp overleven in een gevaarlijke natuur, maar vandaag vooral nog storend zou werken. Alsof het een systeem is dat eigenlijk niet meer nodig is, maar nog wat “meedraait” uit gewoonte.

Maar zo werkt evolutie niet

Evolutie vervangt systemen niet zomaar. Ze stapelt, bouwt en integreert. Wat functioneel is, blijft bestaan en wordt ingepast in complexere structuren. Ons stresssysteem is dus geen oud restmechanisme, maar een fundamenteel onderdeel van hoe wij als mens functioneren.

Het is actief betrokken bij elk moment van ons bestaan, vaak zonder dat we het bewust ervaren. Het regelt, monitort, reageert en stuurt bij, voortdurend in relatie tot onze interne en externe omgeving. In die zin is het geen probleem op zich, maar een vorm van intelligentie die diep in ons biologisch systeem verankerd zit.

Veerkracht als kernfunctie

Wanneer we dat stresssysteem in zijn geheel bekijken, dan gaat het uiteindelijk over één kernbegrip: veerkracht.

Het vermogen om zich voortdurend aan te passen aan veranderende omstandigheden, zonder het evenwicht volledig te verliezen.

Dat gebeurt niet enkel in grote, zichtbare momenten van crisis, maar vooral in de kleine, continue aanpassingen die ons lichaam en onze geest elke dag opnieuw uitvoeren.

De kanarie in de koolmijn

Een beeld dat mij daarbij helpt, is dat van de kanarie in de koolmijn. De kanarie die begint te fluiten wanneer de omstandigheden ondergronds veranderen, niet omdat hij dramatiseert, maar omdat hij registreert wat er gebeurt.

In dat beeld is stress geen storing, maar een signaal; een vroege waarschuwing dat er iets verschuift in de omgeving waarin we functioneren.

Wat we met dat signaal doen

Wat mij dan blijft bezighouden, is niet zozeer dat dat signaal bestaat, maar wat wij ermee doen. Mijnwerkers negeerden de kanarie niet. Ze wisten dat het signaal direct verbonden was met hun overlevingskansen. Vandaag is dat anders.

We zijn steeds beter geworden in het interpreteren, rationaliseren en soms ook neutraliseren van signalen. We hebben geleerd om verder te gaan, ook wanneer het systeem aangeeft dat er iets niet klopt. Dat is op zich begrijpelijk, maar het roept wel een vraag op.

Wat gebeurt er wanneer een systeem blijft signaleren, maar de omgeving waarin dat signaal betekenis heeft, structureel verandert zonder dat we die signalen nog echt ernstig nemen? Misschien ligt daar wel een deel van de spanning die we vandaag ervaren.

Niet omdat stress toeneemt op zich, maar omdat de betekenis ervan in onze context verschuift...